Skip to content

Jezelf saboteren

Regelmatig tref ik studenten die worstelen met het veranderen van hun gewoontes. Ze halen gevoelsmatig niet ‘alles eruit wat erin zit’ en vinden het moeilijk om de rust en concentratie te vinden om aan de slag te gaan. At any given time werk ik aan ongeveer vijftien verschillende projecten tegelijk, voor mijn werk, mijn masteropleiding, voor sport of wat dan ook. Ik worstel eigenlijk altijd met ongeveer dezelfde problemen, maar doordat ik die worsteling al wat langer voer heb ik een belangrijke strategie gevonden die voor mij werkt: jezelf saboteren.

In plaats van proberen op karakter of zelfdiscipline je (slechte) gewoontes te veranderen, is het veel makkelijker om jezelf van te voren al te saboteren. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk je wekker. Zonder wekker zou je rustig blijven liggen, maar door die van te voren te zetten saboteer je jezelf.

De valkuilen die ik overwonnen heb op deze manier zijn het veel te veel checken van social media als Facebook en Twitter en elke dag (te veel) koekjes eten. Voor die eerste gewoonte heb ik twee belangrijke sabotages geïnstalleerd: ik gebruik buitenshuis geen smartphone en ik heb de ‘WasteNoTime’-app geïnstalleerd in mijn browser. Deze extensie staat me toe om elke dag maximaal 15 minuten gebruik te maken van social media. Wat betreft de koekjes: voor mij werkt het om ze simpelweg niet te kopen.

Dus, als je moeite hebt een bepaalde gewoonte te doorbreken, probeer dan eens om op een creatieve manier het voor jezelf onmogelijk te maken om die gewoonte door te zetten. Soms zul je behoorlijk ver moeten gaan, maar het blijft makkelijker dan in jezelf een verandering te forceren.

Tassenverzamelaar

Even heel wat anders: tassen. Het verzamelen van en lezen over tassen is één van de hobby’s die ik heb. De perfecte tas is de heilige graal en de zoektocht daarnaar het avontuur. Nu is het niet zo dat ik tientallen tassen heb liggen, ik ben een bescheiden verzamelaar. Mijn twee belangrijkste tassen zijn een Bedouin Foundry Barbary en een GoRuck GR1. Beide tassen zijn nagenoeg perfect. De makers bieden me een levenslange garantie en de materialen en het ontwerp zijn ongelooflijk. Ook zijn het conversation-pieces, met name de Bedouin heeft me al heel veel leuke gesprekken opgeleverd.

Jammergenoeg is het Nederlandse straatbeeld wat betreft tassen niet echt het toonbeeld van diversiteit en originaliteit. Ik als verwoed kenner zie maar zelden een bijzondere tas op straat. Vrijwel iedereen loopt met een Herschel, Fjällräven of North Face rugtas. Jammer, want er is zo veel moois! Ja, het is waar, veel van die mooie tassen kosten al snel 300 tot 700 euro. Dat is nogal wat voor een tas. Maar geloof me, wanneer je aan het eind van je zoektocht de perfecte tas hebt gevonden besef je pas hoe vaak je een tas gebruikt en wat voor enorm verschil het maakt als die tas nergens voor terugschrikt.

Dus, surf eens rond op Carryology voor je je volgende tas aanschaft. Geef er gewoon eens een paar honderd euro meer aan uit en ik beloof je dat je er geen spijt van krijgt. Bovendien kunnen we er dan eens nerden over gewaxt canvas en cobra-buckles.

Mijn favoriete eigentalige muziek uit de Benelux

Regelmatig (en tot verveling van mijn omgeving) geef ik te kennen dat ik een groot voorstander ben van eigentalige muziek. Dus, kom je uit Duitsland? Zing in het Duits. Kom je uit Amerika? Zing in het Engels of Spaans. Hoe dan ook: zing in de taal die je met je moeder spreekt. Dan moet je er wel goed over nadenken wat je zingt, want anders klinkt het als onzin. Aan je moeder ga je heus niet vertellen dat je een ‘fire’ in de ‘mountains’ zag en toen de ‘river’ volgde. Gelukkig is er heel veel prachtige eigentalige muziek, mijn favorieten uit de Benelux:

Fresku

Heksenhamer Rekkords
Een beetje reclame, maar ik ben trots op Heksenhamer Rekkords.

Eefje de Visser

Meindert Talma

Brihang

Broeder Dieleman

En dan zijn er ook nog een aantal hele toffe nieuwe(re) bands zoals Het Brandt, De Koorts, en Het Universumpje.

Het risico van imitatie: overtollige popmuziek

In het boek ‘Retromania‘ van Simon Reynolds wordt ons verlangen naar alles wat (in popmuziek) retro of vintage is uitvoerig geanalyseerd. Met name de jaren 60 en 70 lijken een onuitputtelijke bron van inspiratie. Onze hang naar het verleden wordt, nu de top2000 op de radio is, weer pijnlijk duidelijk. Het vervelende van deze retromania, als bands zich er aan vergrijpen, is dat de urgentie en inhoud van de muziek die ze imiteren niet geschikt lijken om mee te nemen, waardoor veel bands vervallen in louter entertainment en verering van hun voorbeelden. Niet in de laatste plaats om het aanwezige publiek een gevoel van herkenning en nostalgie te geven.

In Retromania ziet Reynolds hierin een T-splitsing. Eenmaal op weg fixeren bands zich op het imiteren van een stijl die zich daarvoor beperkte in tijd en ruimte, bijvoorbeeld 90’s grunge in Seattle. Om authentiek te zijn binnen deze imitatie moet de aanbidder aan de geldende codes van de stijl voldoen; een insider worden. Deze codes brengen de aanbidder onherroepelijk op een T-splitsing:

-Aan de ene kant kan hij er voor kiezen een natuurgetrouwe weergave van het origineel na te streven. Daarbij loopt hij het risico hol te zijn, hij voegt immers niets nieuws toe. Het origineel beperkte zich tot tijd en ruimte en de aanbidder wordt in zijn poging een correcte, authentieke uitdrager van de stijl overtollig en overbodig.

-Aan de andere kant kan de aanbidder er voor kiezen om de geldende codes van de stijl te verlaten. Daarmee riskeert hij dat hij de stijl verbastert.

In Nederland lijkt het, als je naar de programmering van sommige poppodia kijkt, vooral erg populair om als band een soort stijl-jukebox te worden. De band geeft als het ware een soort dwarsdoorsnede van herkenbare elementen van stijlen en genres en ontleent zijn eigenheid aan het kiezen van deze elementen. Bands worden curatoren en verzamelaars van stijlkenmerken.

Volgens mij begint elke band of muzikant met het kopiëren van zijn grote voorbeelden. Daarna zou elke volwassen muzikant zich er op moeten richten om met name de betekenis en inhoud van zijn voorbeelden te leren toepassen op zijn eigen werk, niet louter de vorm, want daarmee riskeert de Nederlandse popmuzikant overtolligheid.

Genremuziek (blues, rock, soul) is niet toegestaan

Elk jaar stuit ik wel weer eens op het dogma 95, de eed van zuiverheid opgesteld door een aantal Deense regisseurs, waaronder Lars von Trier. Het manifest met 10 zeer strenge regels werd opgesteld met als doel een handleiding te zijn voor het maken van een zuivere, eerlijke film.

De regels zijn stuk voor stuk goud, bijvoorbeeld:

6. De film mag geen oppervlakkige actie bevatten. (Moorden, wapens etc. dienen niet voor te komen.)

Dit keer sprong één regel er uit:

8. Genrefilms zijn niet toegestaan.

Genrefilms zijn niet toegestaan… Een wonderlijke beperking vind je niet? Hoe maak je nu iets dat niet in een genre valt? Naast mij lag de flyer voor de Popronde van dit jaar. Het andere uiterste. Zo’n dertig acts werden in zeer korte biografieën aan mij voorgesteld.

Elke bio had min of meer dezelfde formule:

Band X maakt een spannende/frisse mix van genre A met genre B en een vleugje genre C, dit moet je zien!

Er zat niet één bio’tje bij waarin de band over de inhoud of betekenis van hun muziek repte. Bij deze een oproep aan alle bands van Nederland: Een genre is een middel, niet een doel. Maak het doel de betekenis van je muziek, er is genoeg te zeggen.

De weg van de krijger

Budo betekent letterlijk ‘de weg van de krijger’ en is een verzamelnaam voor (van oorsprong) Japanse vechtkunsten. In hedendaagse budo staat persoonlijke ontwikkeling centraal. Dat kan fysiek zijn, maar ook zeker mentaal. Door constante training ontdekt de beoefenaar zijn grenzen, leert zijn ongeduld te beheersen, krijgt respect voor zijn omgeving en leert energie in de ‘juiste’ dingen te steken.

Veel van wat ik in budo heb geleerd is toepasbaar in het hele leven. Bijvoorbeeld op creatieve processen, op conflicten of uitdagingen. Ik vind het leuk om ook veel over andere budo op te zoeken en interviews met beoefenaars te beluisteren. Halverwege dit filmpje wordt Babs Olusanmokun geïnterviewd over zijn visie op Braziliaans jiu jitsu.

Zo praat hij bijvoorbeeld over toewijding. Zo stelt hij dat ‘de jongens die nu aan de top zitten’ van zijn sport bereid zijn om fulltime te trainen. Dat ze bereid zijn om grote offers te brengen, maar buiten dat ook uitzonderlijk getalenteerd zijn. ‘Do something six hours a day and anybody’s gonna be good at anything’. Ontnuchterend, maar waar. Als je bereid bent om je tijd op te offeren kun je ergens goed in worden, maar om de absolute top te bereiken moet je waarschijnlijk ook uitzonderlijk getalenteerd zijn.

Of zijn visie op ontwikkeling. Babs zoekt constant redenen om te verliezen. Hij zorgt ervoor dat hij zich in ongemakkelijke posities laat brengen. Hij probeert nieuwe ‘funky’ technieken zich eigen te maken om zich ertegen te kunnen weren. ‘If you’re not gonna explore or experiment, you ain’t going anywhere’. ‘You have to lose during training, a lot.’

Bij onze kendo-club in Groningen gebruiken we regelmatig de frase ‘Huilen in de dojo, lachen op het slagveld’. Dan, maar ook in de oefenruimte, op mijn werk op de Academie voor Popcultuur, in relaties, overal, ontdek ik weer hoe belangrijk het is om plekken te hebben waar je oefent, waar je op je bek kunt gaan, waar je wordt uitgedaagd, waar het oncomfortabel is. Dat is voor mij budo en het is al tien jaar mijn belangrijkste bron van inspiratie en energie.

Een maand zonder smartphone

Een maand geleden besloot ik dat ik wilde proberen om een tijdje geen smartphone te gebruiken. Ik vond de afleiding veel te groot, het constante checken van e-mail, whatsapp, twitter, m’n saldo enzovoorts. Ik ging naar de winkel, eigenlijk alleen om me te oriënteren, maar toen ik aan de beurt was vroeg ik maar gewoon dat ik op zoek was naar een telefoon die helemaal niets kon. De vrouw achter de balie keek me wat verwonderd aan, maar kwam even later terug met een Nokia 108. Ik kon de telefoon (17 euro) van mijn spaarpunten betalen. Kosten van de overstap: 0 euro

De Nokia 108 kan:
-bellen
-smsen (als je heel veel geduld hebt, want ouderwets smsen duurt verschrikkelijk lang)
-Snake spelen
-fotograferen (als je er een geheugenkaartje in doet, wat ik niet gedaan heb)

Ook kon ik mijn contacten niet overzetten naar deze nieuwe telefoon, dus momenteel staan er ongeveer 10 telefoonnummers in mijn adresboek. Nu, een maand later, ben ik heel erg blij met mijn keuze. Ik gaf mezelf de vrijheid om elk moment terug te kunnen schakelen, ik hoef alleen maar mijn SIM-kaartje weer in mijn iPhone te doen en weer internet bij mijn abonnement te nemen en de situatie is weer zoals hij was. Ik heb daar geen moment behoefte aan gehad, dus mijn iPhone ligt thuis en zit op de wifi zodat ik thuis wel makkelijk bankzaken kan doen en groepsapps waar ik in zit kan blijven volgen. (Whatsapp werkt ook zonder SIM-kaart), onderweg hoef ik me alleen maar bezig te houden met bellen of gebeld worden.

De Nokia hoef ik ongeveer één keer per week op te laden, maar de grootste voordelen zijn de rust aan je kop. Ik kan me veel beter concentreren op waar ik mee bezig ben, genieten van de omgeving of me even vervelen. Dat het een stuk goedkoper is natuurlijk ook prettig. Ik had verwacht dat ik vaker in situaties terecht zou komen waarbij een smartphone handig, of bijna onmisbaar zou zijn. De weg kwijt, iets opzoeken, dat soort dingen, maar dat is me nog niet één keer gebeurd. Kortom, leve de domme telefoon! Leve de rust!